#caption
#caption


Resolutie 1325

Op 31 oktober 2000 aanvaardde de Veiligheidsraad unaniem resolutie 1325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid. De resolutie roept iedereen die belast is met het voeren van vredesonderhandelingen en met het toezicht op de naleving van vredesakkoorden op terdege rekening te houden met de gelijkwaardigheid van de seksen en ook zorgvuldig rekening te houden met de bijzondere behoeften van vrouwen en meisjes bij hun terugkeer en vestiging in voormalige conflictgebieden, evenals bij hun reïntegratie en bij hersteloperaties. 
De aanvaarding van deze historische resolutie geldt als een belangrijke stap in de richting van de erkenning van de rol van vrouwen bij het beheersen van conflicten, vredehandhaving en het consolideren van de vrede na conflicten.


Het Platform Vrouwen & Duurzame Vrede heeft een uitgebreide brochure over de Resolutie samengesteld. Hierin wordt het hoe en waarom van de Resolutie beschreven en wat er in Nederland en internationaal wordt gedaan op het gebied van Vrouwen, Vrede en Veiligheid. , De Nederlandse Vrouwen Raad is partner van het Platform Vrouwen & Duurzame Vrede.

Hieronder treft u de integrale tekst aan van Resolutie 1325 die is aanvaard door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tijdens zijn 4213de zitting op 31 oktober 2000.

De Veiligheidsraad:

Verwijzend naar zijn resoluties 1261 (1999) van 25 augustus 1999, 1265 (1999) van 17 september 1999, 1296 (2000) van 19 april 2000 en 1314 (2000) van 11 augustus 2000, naar de verklaringen van zijn Voorzitter dienaangaande, en ook verwijzend naar de persverklaring van zijn Voorzitter ter gelegenheid van de Dag van de Verenigde Naties voor de rechten van vrouwen en de internationale vrede (de "Internationale Vrouwendag") op 8 maart 2000 (SC/6816),

Tevens verwijzend naar de in de Verklaring en het Actieprogramma van Beijing (A/52/231) neergelegde verplichtingen, evenals de verbintenissen vervat in het slotdocument van de 23ste Bijzondere Zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over het thema “Vrouwen 2000: seksegelijkheid, ontwikkeling en vrede voor de 21ste eeuw” (A/S-23/10/Rev.1), meer in het bijzonder de verbintenissen betreffende vrouwen en gewapende conflicten,

Zich rekenschap gevend van de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en van de hoofdverantwoordelijkheid die het Handvest de Veiligheidsraad toekent voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid,

Uitdrukking gevend aan zijn zorg om het feit dat burgers, in het bijzonder vrouwen en kinderen, de overgrote meerderheid uitmaken van hen die de nadelige gevolgen ondervinden van gewapende conflicten, onder meer als vluchtelingen en ontheemden, en dat dezen steeds vaker het doelwit vormen van strijders en gewapende onderdelen, en onder erkenning van de daaruit voortspruitende impact op duurzame vrede en verzoening,

Opnieuw bevestigend de belangrijke rol van vrouwen bij het voorkomen en oplossen van conflicten en bij de opbouw van vrede, en nadruk leggend op het belang van hun deelname aan en volledige betrokkenheid, op voet van gelijkheid, bij alle inspanningen ter handhaving en bevordering van vrede en veiligheid, en op de noodzaak om hun rol te verbreden in de besluitvorming rond het voorkomen en oplossen van conflicten,

Voorts herbevestigend de noodzaak van de volledige tenuitvoerlegging van de regels van humanitair recht en van de mensenrechten die gedurende en na afloop van conflicten de rechten van vrouwen en meisjes beschermen,

Benadrukkend de noodzaak dat alle partijen bij programma's inzake mijnopruiming en voorlichting rond mijnen rekening houden met de bijzondere behoeften van vrouwen en meisjes,

Erkennend de dringende noodzaak van het aanvaarden van het 'genderperspectief' als vanzelfsprekend aspect van vredesoperaties, en in dat verband kennisnemend van de "Verklaring van Windhoek" en het "Actieplan van Namibië" betreffende het genderperspectief als vast aandachtspunt in multidimensionale operaties ter ondersteuning van de vrede (S/2000/693),

Tevens erkennend het belang van de aanbeveling vervat in de verklaring die zijn Voorzitter op 8 maart 2000 aflegde voor de pers betreffende de gerichte opleiding – op het gebied van de bescherming, bijzondere behoeften en mensenrechten van vrouwen en kinderen in conflictsituaties – van al het personeel betrokken bij vredesoperaties,

Erkennend dat begrip van de gevolgen van gewapende conflicten op vrouwen en meisjes, en doeltreffend institutioneel optreden om hun bescherming en volledige deelname aan vredesprocessen te waarborgen aanzienlijk kan bijdragen tot de handhaving en bevordering van de internationale vrede en veiligheid,

Wijzend op de noodzaak van nog degelijker gegevensbestanden over de impact van gewapende conflicten op vrouwen en meisjes,

1. Roept Lidstaten met klem op zorg te dragen voor een grotere vertegenwoordiging van vrouwen op alle besluitvormingsniveaus binnen nationale, regionale en internationale instellingen en organismen die zijn belast met het voorkomen, beheersen en beslechten van conflicten;

2. Spoort de Secretaris-Generaal aan tot uitvoering van zijn strategisch actieplan (A/49/587) betreffende de vergrote deelname van vrouwen op besluitvormingsniveaus rond conflictoplossing en vredesprocessen;

3. Roept met klem de Secretaris-Generaal op meer vrouwen te benoemen als speciale vertegenwoordigers en gezanten die namens hem goede diensten aanbieden en roept Lidstaten op in dat licht kandidaten voor te dragen bij de Secretaris-Generaal voor opname in een geregeld geactualiseerde, centrale lijst van gegadigden;

4. Roept voorts met klem de Secretaris-Generaal op de rol en bijdrage van vrouwen in veldoperaties van de Verenigde Naties te verbreden, in het bijzonder in de gelederen van de militaire waarnemers, civiele politiediensten en personeel belast met mensenrechten en humanitaire acties;

5. Geeft uitdrukking aan zijn bereidheid om het genderperspectief en vaste plaats te geven in vredesoperaties, en roept de Secretaris-Generaal met klem op om waar van toepassing seksegerelateerde aandachtspunten op te nemen in veldoperaties;

6. Verzoekt de Secretaris-Generaal de Lidstaten te voorzien van richtlijnen en materiaal voor opleidingen inzake de bescherming, de rechten en de bijzondere behoeften van vrouwen, evenals voor scholing betreffende het belang van de betrokkenheid van vrouwen bij maatregelen voor de handhaving en opbouw van vrede, nodigt Lidstaten uit deze elementen – en ook cursussen rond HIV/AIDS-voorlichting – op te nemen in hun nationale opleidingsprogramma's voor militair en civiel politiepersoneel, voorafgaand aan missies, en verzoekt de Secretaris-Generaal voorts ervoor in te staan dat ook het burgerpersoneel bij vredesoperaties een soortgelijke opleiding ontvangt;

7. Roept Lidstaten met klem op hun vrijwillige financiële, technische en logistieke ondersteuning van opleidingen rond seksegerelateerde kwesties te vergroten, met inbegrip van dergelijke opleidingen verzorgd door fondsen en programma's zoals het VN-vrouwenfonds (UNIFEM), het VN-kinderfonds (UNICEF) en het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor Vluchtelingen (UNHCR) en andere relevante organen;

8. Roept alle betrokkenen op bij onderhandelingen over en tenuitvoerlegging van vredesafspraken een genderperspectief te kiezen, met bijzondere aandacht voor onder meer:
(a) de speciale behoeften van vrouwen en meisjes bij terugkeer en vestiging in hun vaderland, bij hun reïntegratie en bij wederopbouwprojecten na conflicten;
(b) maatregelen ter ondersteuning van plaatselijke vredesinitiatieven van vrouwen en autochtone processen voor het oplossen van conflicten, en voor maatregelen om vrouwen te betrekken bij andere mechanismen bij de implementatie van vredesakkoorden;
(c) maatregelen die instaan voor de bescherming en naleving van de mensenrechten van vrouwen en meisjes, in het bijzonder voor zover deze de grondwet, het kiesstelsel, politie en justitie aangaan;

9. Doet een beroep op alle partijen bij een gewapend conflict om zich volledig te voegen naar de internationaal rechtsregels die van toepassing zijn op de rechten en de bescherming van vrouwen en meisjes, vooral als leden van de burgerbevolking, in het bijzonder de verplichtingen die op hen van toepassing zijn krachtens de Geneefse Verdragen van 1949 (en de Aanvullende Procollen daarbij van 1977), het Vluchtelingenverdrag van 1951 (en het Protocol daarbij van 1967), het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen van 1979 (en het Facultatief Protocol daarbij van 1999) en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 (en de twee Facultatieve Protocollen daarbij van 25 mei 2000), en om zich bewust te zijn van de bepalingen dienaangaande zoals verwoord in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof;

10. Doet een beroep op alle partijen bij een gewapend conflict om speciale maatregelen te treffen ter bescherming van vrouwen en meisjes tegen seksegerelateerd geweld, in het bijzonder verkrachting en andere vormen van seksueel geweld, en tegen alle andere vormen van geweld in het kader van gewapende conflicten;

11. Benadrukt de verantwoordelijkheid van alle Staten om een einde te stellen aan straffeloosheid en over te gaan tot vervolging van verdachten van volkenmoord, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, waaronder misdaden in de vorm van seksueel en ander geweld tegen vrouwen en meisjes, en wijst nadrukkelijk op de noodzaak om dergelijke misdaden voor zover mogelijk uit te sluiten van amnestiemaatregelen;

12. Doet een beroep op alle partijen bij een gewapend conflict om het civiele en humanitaire karakter van vluchtelingenkampen en -nederzettingen te eerbiedigen en om rekening te houden met de bijzondere behoeften van vrouwen en meisjes, ook bij de opzet en inrichting van die plaatsen, en herinnert in dat opzicht aan zijn resolutie 1208 (1998) van 19 november 1998 en 1296 (2000) van 19 april 2000;

13. Spoort iedereen aan die betrokken is bij programma's voor ontwapening, demobilisatie en reïntegratie om de verschillende behoeften van mannelijke en vrouwelijke oud-strijders ter harte te nemen, evenals die van de personen die van hen afhankelijk zijn;

14. Bevestigt opnieuw zijn bereidheid om wanneer maatregelen worden getroffen krachtens Artikel 41 van het Handvest van de Verenigde Naties, de mogelijke impact van die maatregelen op de burgerbevolking te overwegen en rekening te houden met de bijzondere behoeften van vrouwen en meisjes, teneinde op humanitaire gronden uitzonderingssituaties toe te staan;

15. Geeft uitdrukking aan zijn bereidheid ervoor in te staan dat missies van de Veiligheidsraad rekening houden met seksegerelateerde kwesties en de rechten van vrouwen, onder meer via overleg met lokale en internationale vrouwenorganisaties;

16. Nodigt de Secretaris-Generaal uit onderzoek te laten verrichten naar de impact van gewapende conflicten op vrouwen en meisjes, naar de rol van vrouwen in vredesprocessen en naar de seksegerelateerde aspecten in vredesprocessen en conflictoplossing, en nodigt hem voorts uit de Veiligheidsraad een verslag te presenteren met de resultaten van die studie en die voorts beschikbaar te stellen aan alle Lidstaten van de Verenigde Naties;

17. Verzoekt de Secretaris-Generaal om, waar aangewezen, in zijn verslaglegging aan de Veiligheidsraad melding te maken van de voortgang bij het opnemen van seksegerelateerde aangelegenheden in het standaardbeleid van vredesmissies en van alle andere aanverwante aspecten in verband met vrouwen en meisjes;

18. Besluit deze aangelegenheid actief en op de voet te volgen.

 


Uitgebreid zoeken

    WMNL       
                    
                      GWI 
           
              
        
  
     
 GWI 
  
     
  
  
 WMNL