#caption
Willemien Koning Vrouwenvertegenwoordiger 2018
#caption
Viering NVR 120 jaar


Waarom de loonkloof 16.1% is en niets lager dan dat

Onze vrijwilliger Sanne Kanters heeft voor ons alles op een rijtje gezet over Equal Pay en de loonkloof. Lees hier haar stuk over de cijfers en de loonkloof.

 

Hoewel we er de laatste jaren op vooruit zijn gegaan, bestaat er nog steeds een aanzienlijk verschil in de beloning van werkende mannen en vrouwen in Nederland. Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, berekende dat vrouwen in Nederland gemiddeld 16.1% minder verdienen dan mannen. Op Europees niveau ligt dit verschil op 16.3%. Over een heel jaar genomen betekent de loonkoof in Nederland dat vrouwen gemiddeld twee maanden per jaar onbetaald werken: vanaf 3 november verdienen we in principe niets meer. Op deze symbolische datum organiseerde de FNV Equal Pay Day om aandacht te vragen voor de loonkloof en concrete plannen te maken voor het verkleinen ervan. Emancipatoire projecten als de Equal Pay Day gebruiken het zogenaamde ‘ongecorrigeerde loonverschil’ om een situatie te schetsen van de loonkloof in Nederland en Europa. Hier tegenover staat het ‘gecorrigeerde loonverschil,’ dat volgens het CBS een meer waarheidsgetrouw beeld geeft. Maar wat betekenen deze begrippen nu precies en naar welk cijfer kunnen we werkelijk het beste kijken om een goed beeld te krijgen van de positie van werkende vrouwen in Nederland? In het onderstaande leg ik uit wat het verschil is tussen het gecorrigeerde en het ongecorrigeerde beloningsverschil en stel ik dat het ‘corrigeren’ van het beloningsverschil de emancipatie van vrouwen in Nederland niet ten goede komt.

 

            De ongecorrigeerde loonkloof van 16.1% drukt het gemiddelde verschil in uurloon van alle vrouwelijke werknemers ten opzichte van alle mannelijke werknemers in Nederland in alle banen en alle sectoren uit. In 2015 verdiende een vrouwelijke werknemer gemiddeld €19,80 per uur. Een mannelijke werknemer verdiende dat jaar gemiddeld €23,57 per uur (Statline). Daarmee verdienden vrouwen in dat jaar gemiddeld 16.1% minder dan mannen (Eurostat). Het gaat hier dus niet om een vergelijking van de beloning van mannen en vrouwen binnen gelijksoortige functies, maar om een algehele vergelijking van het inkomen van werkende mannen en vrouwen in Nederland in een bepaald jaar. Het gecorrigeerde beloningsverschil ligt lager dan het ongecorrigeerde beloningsverschil: in 2014 was het gecorrigeerde beloningsverschil bij de overheid 5% en in het bedrijfsleven 7% (CBS, 2016). Om tot dit gecorrigeerde beloningsverschil te komen wordt rekening gehouden met een aantal ‘achtergrondkenmerken,’ zoals verschil in werkervaring, functieniveau en beroepssector. Om een ‘zuivere’ vergelijking te maken tussen het beloningsverschil van mannen en vrouwen vergelijkt het CBS de lonen van mannen en vrouwen in gelijke functieniveaus in gelijke sectoren (CBS 2016, p. 5). Bij het ‘corrigeren’ van het beloningsverschil wordt de ongelijke positie van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt gebruikt om hun onevenwichtige inkomen te verklaren. Vrouwen werken vaker parttime en doen daarmee minder werkervaring op; ze werken minder vaak in hogere functies; en ze zijn vaker werkzaam in bepaalde ‘vrouwensectoren’ waar lonen relatief laag liggen — en daarom is hun inkomen lager, is het idee.

 

            Wat het CBS hiermee daadwerkelijk doet is het negeren van de fundamentele ongelijke positie van mannen en vrouwen in Nederland en de ongelijke kansen die dit voor vrouwen meebrengt op de arbeidsmarkt. Vrouwen werken vaker parttime en verrichten meer huishoudelijk werk en zorgtaken: werk dat niet financieel beloond wordt, maar wel degelijk waardevol werk is en bovendien de man ontlast en in staat stelt fulltime te werken en aan een carrière te bouwen. Vrouwen komen moeilijker in topposities terecht dan mannen: niet omdat we minder capabel zijn, maar omdat ons collectieve, cultureel bepaalde idee van een leidinggevende dat van een man is. Dit maakt het moeilijk voor mannen én vrouwen, werknemers én werkgevers, om vrouwen toe te laten in hogere functies. Ook zijn vrouwen inderdaad relatief veel werkzaam in de sectoren horeca, cultuur en gezond en welzijn (CBS 2016, p. 15), maar is het puur toeval dat dit juist de sectoren zijn waar de uurlonen relatief laag liggen?

 

            Het is niet productief — en ronduit schadelijk voor de emancipatie van (werkende) vrouwen in Nederland — om het feit dat vrouwen vaker parttime werken, minder vaak hogere functies bekleden en vaker werkzaam zijn in relatief laag betaalde sectoren te gebruiken als ‘verklaring’ voor een verschil in beloning tussen mannen en vrouwen. Deze zaken zijn geen geldige verklaring voor de ongelijke financiële situatie van mannen en vrouwen in Nederland, maar raken juist de kern van het probleem van de loonkloof: een fundamentele ongelijke waardering van mannen en vrouwen en het werk dat zij doen in onze samenleving. Het feit dat we parttime werken minder serieus nemen, dat we vrouwen moeilijker in leidinggevende posities kunnen inbeelden en dat we denken in termen van ‘mannensectoren’ en ‘vrouwensectoren’ en de laatste minder waarderen is het probleem, niet de verklaring. Deze normatieve ideeën zijn een gevolg van de diepgewortelde machtsstructuren waarop onze samenleving gebouwd is en zij hebben een concreet effect op het leven van werkende vrouwen in Nederland. Het zijn geen factoren die weggecijferd kunnen worden in schetsen van een representatief beeld van de positie van vrouwen ten opzichte van mannen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het zijn juist de punten van aandacht. In emancipatoire projecten zoals de Equal Pay Day wordt daarom terecht het ongecorrigeerde beloningsverschil van 16.1% gebruikt om uitdrukking te geven aan de loonkloof. Als we de positie van de werkende vrouw in Nederland willen verbeteren moet dit verschil gedicht worden. Om dit te kunnen bereiken moet actief gewerkt worden aan een eerlijke verdeling van werk- en zorgtaken (inclusief betaald en verlengd kraamverlof voor beide partners), een groter aandeel van vrouwen in hogere functies, en een betere waardering voor zogenaamd ‘vrouwenwerk’.

 

- Sanne Kanters, vrijwilliger NVR


Uitgebreid zoeken

       GWI          
                 
           
              
           
  
  
     
  
        
  
  
  
  
     
        
        
     
       GWI